Nederland - Uit voorraad leverbaar / The Netherlands - Off the shelf

English translation below

Het raadsel Nederland

In 2008 vroeg een redacteur van een uitgeverij of ik niet een boek over Nederland wilde maken. Nederland was zo veranderd de laatste dertig jaar, er was zoveel bij gebouwd. Ik begreep wat hij bedoelde, want als je in Leiden of Amersfoort het station uitloopt wanneer je er toevallig dertig jaar niet meer geweest bent, dan schrik je je dood. Overal om je heen van die vastgoedarchitectuur, die met het geld van pensioenfondsen is neergezet. En zo kun je nog een tijdje doorgaan in Nederland. Vinex-wijken, industrieterreinen, winkelcentra, er is heel wat bijgekomen in de afgelopen tijd. Het idee dat ik dat allemaal zou gaan fotograferen leek mij geen prettig vooruitzicht.
Ik wilde wel een boek maken over Nederland. Voor mij lag het meer voor de hand dat ik een serie die ik eerder had gemaakt weer op zou pakken. In de zomer van 2004 reisde ik opdracht van NRC Handelsblad een maand lang door Nederland. Voor de achterpagina van de krant schreef ik iedere dag een tekst bij een foto die ik had gemaakt. Van die serie verscheen later dat jaar het boekje Achterland.

De verbazing over de inrichting van ons land was een terugkerend thema in dat boek. Maar vanwege de dagelijkse deadline ontbrak de tijd om rustig alles in mij op te nemen.
Dus toen ik in 2008 de draad weer oppakte nam ik mij voor eerst eens op mijn gemak te gaan kijken. Ik reed naar Nieuw-Vennep, parkeerde de auto en liep wat rond, met een keukentrapje dat ik altijd bij me heb voor een iets verhoogd standpunt. In de Venneperstraat maakte ik een foto van twee vrouwen die met elkaar aan de praat waren geraakt. De een staat over haar fiets gebogen, de ander naast een  buggy met daarin een peuter. In het mandje onder het kind liggen boodschappen. Links en rechts staan lage winkelpanden uit de jaren zestig, verderop in de straat huizen die een stuk ouder zijn. Zo’n tafereel waaraan je niet kunt zien waar je precies bent, maar dat onmiskenbaar in Nederland is gefotografeerd.

De vorm van die foto beviel mij meteen. Zo kon ik laten zien hoe Nederland er op dit soort plaatsen uitziet. Het trapje bood net iets meer overzicht en ruimtelijkheid. Het benadrukt het idee van constructie, van een blik op een toneel. Alsof je vanuit een stoel in een theater kijkt, waarbij bomen, kerktoren, glasbakken, huizen, winkels en straatmeubilair deel uitmaken van een decor.
Het werd mij duidelijk dat ik niet al te grote plaatsen moest bezoeken: je treft er mensen op straat, maar niet te veel. Het zijn geen passanten, zoals in grote steden, maar meestal mensen uit de directe omgeving. Zij zijn op een vanzelfsprekende manier onderdeel van het beeld.
Bovendien vind je binnen die kleinschalige verhoudingen makkelijker een standpunt om de ongerijmde combinaties van bouwstijlen naast elkaar te laten zien. In de kernen van veel gemeenten is door de jaren heen steeds iets toegevoegd. Dat is wat die plaatsen een typisch karakter geeft. Je treft er een statig negentiende-eeuws pand naast een winkel in elektronica uit de jaren zestig met een plat dak. Met daarnaast een laag dijkhuisje uit de jaren twintig en een  Rabobank van nog geen tien jaar oud. 
Het is een omgeving waar regelgeving en toevalligheid het beeld bepalen, waar je de laatste opvattingen over de inrichting van een plein aantreft tegen een achtergrond van lokale middenstandsarchitectuur. Pogingen tot regie zijn letterlijk een afspiegeling van verschillende belangen en opvattingen.

Net als halverwege de jaren negentig bij Hollandse Velden – een boek over amateurvoetbal in Nederland – had ik het gevoel dat ik niet bij de hoofdklasse moest zijn, maar op eenvoudiger plaatsen. In dit geval dus weg van het grootstedelijk decor. En net als bij Hollandse Velden geeft dat een kaler beeld van een cultuur, dat voor mijn gevoel dichter bij de kern komt. Het laat een grote herkenbaarheid en uitwisselbaarheid zien en daarmee iets van het mechanisme dat zich in iedere cultuur anders manifesteert.

In een van de columns in Achterland beschreef ik hoe dat mechanisme deels in zijn werk gaat. Als er bijvoorbeeld ergens een plein moet worden heringericht, dan pakt de architect een catalogus erbij van een firma in straatmeubilair. ‘Hij kiest wat zitbankjes en afvalbakken uit en zoekt voor de boompjes een bijpassend boomrooster,’ schreef ik toen onder meer. De catalogus voor in dit boek illustreert die gedachte. Alles wat wij om ons heen zien kan worden besteld en worden geleverd.

Dat geldt ook voor de horeca-interieurs die in dit boek zijn opgenomen. Daarin bestaat een grote variëteit, ze zijn net als de straatbeelden in veel gevallen onmiskenbaar Nederlands. Maar steeds vaker zie je dat de sfeer en de uitstraling niet het gevolg zijn van de oorspronkelijkheid van eigenaren die jarenlang hun stempel op het interieur hebben gedrukt. Die uitstraling is een concept dat men bewust kiest en waarvan de bijbehorende rekwisieten via de groothandel worden besteld. Zo vinden wij in de catalogus de stoepborden terug waarmee de bakker of slager zijn ambachtelijkheid wil uitstralen. Maar die borden kom je overal tegen en worden juist niet op een ambachtelijke manier gemaakt. Het illustreert de spagaat van deze tijd.

En daar ergens zit een wezenlijke onderscheid in wat wij om ons heen zien. Tussen cultuur van ambachtelijk denken die door de jaren heen is ontstaan en cultuur die in oplage wordt gemaakt en op een achternamiddag kan worden besteld.
Het gaat bij dat laatste niet over wie je bent, maar over wie je wilt zijn. Dat zie je niet alleen terug in de aankleding van een grand café, maar ook bij de inrichting van een plein of een straat. De vraag naar oorspronkelijkheid en identiteit is blijkbaar zo groot, dat er industrie is ontstaan om in die behoefte te voorzien. De losse onderdelen kunnen uit voorraad worden geleverd. Dat brengt grappig genoeg onvermijdelijk ook het omgekeerde teweeg: alles gaat toch weer een beetje op elkaar lijken.
Wanneer we terugkomen van vakantie en de grens zijn gepasseerd zien we het onmiddellijk. Dit is Nederland, dit is zoals wij het doen. Maar waarom wij het zo doen, dat is het raadsel.

Hans van der Meer

 

Puzzling Netherlands

In 2008 an editor from a publishing house asked me if I wanted to make a book about the Netherlands. The country had changed so much over the past 30 years; so much had been built. I understood what he meant. Walk out of the station in Amersfoort or Leiden if you haven’t been there for 30 years and you’ll get the fright of your life. Real estate architecture, paid for with money from pension funds, is everywhere. And that is just the beginning. Housing developments, industrial estates, shopping malls – so much has gone up in recent times. The prospect of photographing it all didn’t strike me as a pleasant one.
I did want to make a book about the Netherlands. For me, it seemed more obvious to revisit a series that I had made earlier. In the summer of 2004, I spent a month travelling through the Netherlands for an assignment for NRC Handelsblad. For the back page of the newspaper I wrote a column every day to accompany a photo I had taken. The series was published later that year as a book called Achterland (Hinterland).

Surprise at the layout of the country was a recurring theme in the book. However, the daily deadline meant I didn’t have the time to process all my impressions.
When I picked up the thread again in 2008, I took the opportunity to look around at my leisure. I drove to Nieuw-Vennep, parked the car and walked around with a stepladder that I always have with me for a slightly elevated perspective. In Venneperstraat I took a photo of two women who had struck up a conversation. One was bent over her bicycle; the other was standing next to a pushchair carrying a toddler. The basket under the child was filled with groceries. To the left and right of them were low-rise shop premises from the 1960s and further along the street were older houses. The scene gave nothing away about the exact location, but it was unmistakably photographed in the Netherlands.

I instantly liked the form of the photo. It allowed me to show what the Netherlands looks like in places like these. The ladder offered a slightly better overview and sense of space. It emphasises the idea of ​​construction, of a glimpse of a spectacle. It is as if you are sitting in a seat in a theatre and the trees, church tower, bottle banks, houses, shops and street furniture are part of a set.
It became clear to me that I had to visit places that were not too large; where you meet people on the street, but not too many. They are not passersby, like in cities, but generally people from the immediate vicinity. They are a natural element of the picture.
Moreover, the small proportions make it easier to show the absurd combinations of architectural styles next to one another. The centres of many municipalities are a patchwork of additions that have been made over time. That is what gives them their typical character. You find a grand, 19th-century building next to an electronics shop with a flat roof from the 60s. Next to that is a low-rise dike house from the 20s and a branch of Rabobank less than a decade old.
It is an environment where regulations and coincidence determine the picture, where you find the latest ideas on the design of a square against a backdrop of local middle-class architecture. Attempts at control are literally a reflection of different interests and opinions.

As I had in the mid-90s with Hollandse Velden (Dutch Fields) - a book about amateur football in the Netherlands - I felt that I shouldn’t be in the premier league but lowlier places, in this case away from an urban setting. Like Dutch Fields the result is a sparser image of a culture, which I believe gets closer to its essence. It shows a great familiarity and interchangeability and thus something of the mechanism that manifests itself differently in every culture.
In one of the columns in Hinterland I described in part how this mechanism works. For example, if a square somewhere has to be redesigned the architect picks up the catalogue of a company specialising in street furniture. ‘He chooses some benches and rubbish bins and looks for a matching grille for the trees,’ I wrote then. The catalogue at the front of this book illustrates that idea. Everything we see around us can be ordered and delivered.

The same applies to the cafe and restaurant interiors included in this book. Despite the great variety, like the street scenes they are in many cases unmistakably Dutch. Increasingly, however, you see that the appearance and atmosphere are not the result of the originality of owners who have put their stamp on the interior over a period of years. The appearance is a concept that people consciously choose and for which the corresponding props are ordered from a wholesaler. Flick through the catalogue and you will find the pavement signs that the baker or butcher uses to convey his traditional craftsmanship. But those signs, which are not produced using any traditional methods, are everywhere. It illustrates the disconnect of our time.

Therein lies a significant distinction in what we see around us; between culture from a time of traditional thinking that has been formed over many years and mass-produced culture that can be ordered at any given moment.
The latter is less about who you are and more about who you want to be. This is evident not only in a cafe’s decor, but also in the design of a square or a street. The need for authenticity and identity is apparently so great that a kind of off-the-peg industry has been created which meets this demand and always has the individual parts in stock. Funnily enough, that inevitably has the opposite effect: everything starts to look the same again.
When we come back from a holiday abroad it is immediately obvious when we have crossed the border. This is the Netherlands; this is the way we do things. Why we do them this way remains a puzzle.

Hans van der Meer


start slideshow

Nederland - Uit voorraad leverbaar / The Netherlands - Off the shelf
Impression catalogue
1 / 0